Wiebe Hommes: “Het NJCM: een schets van de geschiedenis 1974-1994”

Wiebe Hommes schreef afgelopen juni zijn master scriptie over het NJCM. Wat dreef de oprichters van deze mensenrechtenorganisatie? En wat maakte het tot een succes? Deze vragen en meer worden behandeld in zijn uitgebreide scriptie over het NJCM in de jaren 1974 tot 1994. Hieronder vindt u een artikel gebaseerd op zijn de scriptie die u in zijn geheel hier kunt lezen. Het artikel is verschenen in het NTM 42-4 (december 2017).

1. Inleiding

Toen op een zomeravond in Leiden, namelijk op 20 augustus 1974, de eerste bijeenkomst van het NJCM gehouden werd, kon men niet bevroeden wat de uitkomst daarvan zou worden. Het beoogde doel van de op te richten organisatie, te weten de ‘institutionalisering van het juridisch werken aan internationaal erkende rechten van ieder mens’, leek niet enorm populair. Van de zesendertig aangeschreven juristen verschenen er maar zes op de vergadering. Het was het startschot van, in de woorden van drijvende kracht Hans Thoolen: ‘een landelijke organisatie van beroepsjuristen, die zich met evenveel idealisme als gedegenheid moest gaan bezighouden met de transnationale effectuering van de mensenrechten.’1

In de jaren erna maakte het NJCM een opvallend succesvolle opmars door. ‘De netst geklede actiegroep van Nederland’ verkreeg al snel een goede reputatie. Van 1974 tot 1994 ontwikkelde het NJCM zich van een kleine actievereniging tot een succesvol geïnstitutionaliseerde deskundigenorganisatie. Hoe deze ontwikkeling plaatsvond, en wat de redenen waren dat deze kleine Leidse mensrechtenorganisatie een plaats kon verkrijgen in het maatschappelijk veld zijn de onderwerpen van dit artikel.

2. De eerste jaren: piketpalen en uitgangspunten

In veel opzichten past de oprichting van het NJCM in de bredere golf van activisme die Nederland in de jaren zeventig overspoelde. Solidariteit was het toverwoord. ‘Het leek wel alsof heel Nederland achter een spandoek liep’, zo beschrijft historicus Duco Hellema deze periode.2 De kinderen van ’68, vaak geïnspireerd door de Maagdenhuisbezetting in Amsterdam, bleven niet stil zitten. Initiatieven als de Coornhertliga, die streefde naar een humanisering van het strafecht, en de rechtswinkels, die sociale rechtshulp aanboden, waren allen uitingen van eenzelfde drang tot engagement. Binnen deze context werden ook mensenrechten als concept steeds belangrijker. Voor het jonge NJCM hield dit een aantal dingen in. Het NJCM kon enerzijds meeliften op deze ontwikkelingen (het sloot zich vanaf het begin aan bij de strijd tegen apartheid), maar moest ook op zoek naar een niche om niet op te gaan in een massa van activistische groeperingen. Het was snel duidelijk dat het oorspronkelijke doel van het NJCM, de bescherming van mensenrechten in binnen- én buitenland, op zichzelf niet heel vernieuwend was. Amnesty International, Pax Christi en andere organisaties onderschreven een dergelijke boodschap immers ook. Het NJCM daarentegen onderscheidde zich door de puur juridische oriëntatie en de nadruk op de Nederlandse rechtsorde. Dit verschil had gevolgen voor de vereniging.

Waar veel andere groepen – zoals bijvoorbeeld Amnesty – kozen voor een brede organisatie, beperkte het NJCM de potentiële poel van deelnemers tot geschoolde juristen, waardoor het een kleine, maar wel professionele groep werd. Als gevolg daarvan speelden de acties van het NJCM zich op het juridische vlak af, terwijl het onderzoek dat daarvoor nodig was ervoor zorgde dat de organisatie altijd een binding zou behouden met de universiteit en de overheid. Dit onthield het NJCM enerzijds grote publieke aandacht, maar anderzijds bood het ook flexibiliteit en een sterke positionering in het veld. Het andere onderscheidende element lag besloten in een belangrijke koerswijziging in 1975 waardoor de organisatie van ‘huisarts’ naar ‘specialist’ transformeerde. In de beginfase van zijn bestaan had het NJCM zich primair beziggehouden met het verlenen van bijstand aan andere actiegroeperingen die zich in de geest van internationale solidariteit vooral richtten op wereldwijde vraagstukken. Na de koerswijziging verschoof de aandacht van het NJCM langzaam naar zelfstandig onderzoek uitvoeren en mensenrechtenschendingen categoriseren. Dit bleek het begin van een NJCM dat zich meer zelfstandig en onafhankelijk op kon stellen.

Waarom was deze omslag van belang? Primair omdat het aan het NJCM de mogelijkheid bood tot een uniek eigen geluid. De bijstand aan actiegroepen hield in de praktijk hulp in bij het verkondigen van de boodschap van deze actiegroepen. Met meer eigen onderzoek daarentegen verzekerde het NJCM zich van een onafhankelijke positie met een eigen identiteit. Het hield ook een verandering in van de accenten die door de organisatie gelegd werden: door via juridisch onderzoek mensenrechten te willen bevorderen verschoof de aandacht langzaam van het buitenland naar het binnenland, nu in dat onderzoek primair getoetst werd aan verdragen waar Nederland zich aan had verbonden. De Nederlandse rechtsorde was zo centraal komen te staan in het werk van het NJCM.

In het geloofwaardig verkondigen van dit eigen geluid werd het NJCM in niet geringe mate op weg geholpen door het overnemen van de nationale sectie van de International Comission of Jurists (ICJ) van het chique ‘Genootschap voor den Rechtstaat’ in 1976. Opgericht voor de Tweede Wereldoorlog bestond het Genootschap voornamelijk uit oudere heren (het Genootschap werd geleid door de jurist N.J.C.M. – what’s in a name – Kappeyne van de Copello), richtte het zich met name op de Nederlandse Grondwet en hanteerde het een numerus clausus wat betreft het lidmaatschap. Mensenrechten fungeerden niet als onafhankelijke hoofdmoot in de werkzaamheden, maar als onderbouwing van de bescherming van de ‘Rechtstaat’. Het aantal activiteiten dat door Het Genootschap werd ontplooid was zeer laag en er kon met recht worden gesproken van een ‘noodlijdend en inert’ bestaan, zoals het NJCM de groep typeerde.3 Het contrast met de actieve en jonge Leidse vereniging was evident, en toen het NJCM voorstelde om de ICJvertegenwoordiging over te nemen ging het Genootschap zonder al te veel strubbelingen akkoord.

Het verkrijgen van dit lidmaatschap was van groot belang voor het NJCM. Zo kon het op het officiële briefpapier vermelden dat het de Nederlandse sectie van de ICJ was en verkreeg daarmee een mate van geloofwaardigheid die het als jonge groep van nog geen twee jaar oud goed kon gebruiken. Namen waren belangrijk, zeker in de prille beginfase toen het NJCM nog geen reputatie had en de ‘C’ associaties met communistische sympathieën kon opwekken. Bovendien diende de band met de ICJ als een internationaal ‘anker’ voor het NJCM: van een kleine Leidse organisatie was het in één klap een onderdeel van een internationaal netwerk met groot aanzien geworden.

Tot slot hield de overname van een belangrijke ontwikkeling in het juridische veld in: mensenrechten werden voortaan niet meer binnen een ‘klassieke’ juristengroep bevorderd als onderdeel van de rechtsstaat, maar als autonome uitgangspunten gepropageerd door een jonge activistische vereniging. Dat dit soms leidde tot ongemakkelijke situaties, zoals toen op een ICJ bijeenkomst andere, oudere nationale secties fronsend naar de Nederlanders in hun spijkerbroeken keken en vroegen of ze soms journalisten waren, werd voor lief genomen.

3. Op naar het lustrum: groei en doorbraak

Nadat de fundamenten van de organisatie waren gelegd, zou de periode 1977-1984 zich kenmerken door een enorme mate van groei, zowel qua organisatie als qua activiteiten. Dit betekende de definitieve doorbraak van het NJCM als organisatie in het maatschappelijk veld, maar ook als deelnemer binnen de academische discussies omtrent mensenrechten. Dat is met name relevant in het licht van het EVRM waarvan de betekenis explosief toenam. De twee verhalen, van het NJCM en het EVRM, zijn innig met elkaar verbonden. Anders gesteld: dat het EVRM een doorbraak in Nederland beleefde is mede aan het NJCM te danken en verdient daarmee extra nadruk.

Dat het NJCM met een opmars bezig was is af te lezen aan het ledenaantal en de financiële armslag. Beiden namen fors toe: waar in 1977 het ledenaantal nog bij 265 lag, verdrievoudigde dit in twee jaar naar 684 leden in 1979 voordat de groei in 1982 zou stabiliseren rond 772 leden. Onder de leden bevonden zich voornamelijk alumni en studenten van verschillende juridische faculteiten, maar ook advocaten, ambtenaren en universitair medewerkers. Hoewel meer leden ook meer contributie betekende, was het NJCM voor het leeuwendeel van de uitgaven afhankelijk van subsidie. Al in 1977 had het NJCM deze subsidie aangevraagd bij het Ministerie van Justitie. Het ministerie zag hiervoor graag dat het NJCM mee zou werken aan bepaalde activiteiten van justitie, bijvoorbeeld via het verlenen van bekendheid aan bepaalde verdragen.4 Het NJCM ging hiermee akkoord, maar onder twee voorwaarden: de betreffende activiteit diende te passen in de doelstellingen van het NJCM, en medewerking zou alleen verleend worden na uitdrukkelijke beslissing van de kerngroep. Zo werd een subsidie van 40.000 gulden veilig gesteld. De financiële ruimte was op deze manier, naast contributies en abonnees, gegroeid van 3.000 gulden in 1976 tot ongeveer 50.000 gulden in 1982.5

Principiële kritiek op deze banden met de overheid is er niet geweest binnen de organisatie, wat ook meteen iets over het karakter van het NJCM zegt. Waar andere actiegroepen de staat nog wel eens als probleem aanduidden, of principieel overheidssubsidie afwezen ter bescherming van de eigen positie (zoals Amnesty) raakte het NJCM steeds inniger verbonden met de Neder

landse overheid. Het betekende voor het NJCM vooral een basis waarop verdere activiteiten ontplooid konden worden, maar ook een mogelijkheid om door te groeien.

De overheid bleef in deze jaren namelijk niet alleen financieel, maar ook als overlegpartner van belang voor het NJCM. De staat zelf trad hier nadrukkelijk actief in op: in de jaren tachtig kwam er langzaam een meer technocratische benadering op binnen de ministeries. Deze aanpak hield ten opzichte van NGO’s in dat expertise en kundigheid gewaardeerd werd. De overheid bood dan ook actief platforms aan om deze stemmen een plek te geven. Het NJCM maakte daar graag gebruik van. Het ging daarin mee in de grotere ontwikkeling van de jaren tachtig, waarin NGO’s steeds meer in gesprek raakten met de overheid.6 Deze nieuwe aanpak van de overheid zat een professionele organisatie als het NJCM als gegoten, al betekende het ook een langzame inkapseling in de ‘gevestigde orde’. Inspelen op samenwerking met de staat hield immers in dat er een zekere mate van terughoudendheid in de acties van de organisatie sloop. Het NJCM wilde graag serieus genomen worden. De overtuiging was destijds dat dit nu eenmaal beter ging met doorwrochte commentaren dan via snelle acties. Bovendien bleek lobbyen bij Kamerleden succes te kunnen hebben. Een lange campagne om de doodstraf af te schaffen droeg uiteindelijk bij aan de uiteindelijke wettekst. Zo kon toenmalig voorzitter Aalt Willem Heringa in 1983 stellen dat ‘het allermooiste resultaat dat ons werk heeft opgeleverd, het opnemen is van een voorstel tot afschaffing van de doodstraf in de nieuwe Grondwet. Omdat er niets anders voorhanden was, is onze tekst bijna letterlijk overgenomen’.7

Een tweede fundamentele ontwikkeling in deze doorbraakjaren was de positie van het NJCMBulletin. In het begin was het Bulletin primair opgezet als een ‘ledenkrant’ dat in geniete stencils een overzicht bood van de ondernomen activiteiten. Maar al snel werd het veel meer dan dat: als aanvulling op de ‘onderzoeks-kant’ van het NJCM fungeerde het Bulletin ook als platform waarin de bevindingen van de verschillende werkgroepen werden gepubliceerd en commentaar werd gegeven op relevante ontwikkelingen op het gebied van mensenrechten. Dat Ars Aequi al in 1977 aangaf open te staan voor samenwerking vanwege de ‘kwaliteit van het laatste Bulletin’ maar ook vanwege de signalering dat het blad een ‘opiniërend karakter had gekregen’, spreekt boekdelen over de snelle opmars van het tijdschrift in de academische wereld.8

Het bleek een eerste stap in een proces van professionalisering van het tijdschrift. Al eerder waren bewegingen in die richting gemaakt door bijvoorbeeld het introduceren van de rubriek ‘rechtspraak’. Dit maakte het Bulletin ook interessant voor juristen die niet noodzakelijk de acties van het NJCM onderschreven, maar wel grondrechten tegenkwamen in hun dagelijkse praktijk. In 1980 was de kogel definitief door de kerk: het Bulletin kreeg een professioneel uiterlijk en nam een plaats in tussen de andere academische tijdschriften. Het redactioneel commentaar was feestelijk:

‘voor u ligt het eerste nummer ‘nieuwe stijl’ van het NJCM Bulletin, het eerste Nederlandse tijdschrift voor de mensenrechten. Het bulletin is vijf jaar geleden in het leven geroepen als mededelingenblad voor het NJCM… Het comité telde toentertijd nog geen 50 leden en de eerste bulletins besloegen zelden meer dan 20 pagina’s. Die situatie is in vijf jaar snel veranderd. Het Bulletin verschijnt nu in een oplage van 600 exemplaren en het blad heeft zich ontwikkeld tot een volwaardig juridisch tijdschrift. Naast de traditionele rubriek NJCM/ICJ nieuws is in het bulletin een steeds belangrijker plaats ingeruimd voor juridische artikelen over mensenrechtelijke vraagstukken en voor opname van en commentaar op belangrijke Europese en Nederlandse rechtspraak op het gebied van de rechten van de mens.’9

De onafhankelijkheid van het Bulletin werd in 1982 gegarandeerd door de oprichting van de Stichting NJCM-Boekerij, dat ook de uitgave van het Bulletin zou regelen. Het Bulletin was niet alleen geprofessionaliseerd, maar ook onafhankelijk van externe geldschieters geworden. Het NJCM behield de volledige zeggenschap over het blad en bestendigde met de uitgave van het Bulletin de band met de academische wereld.

De relatie tussen het Bulletin en de ontwikkelingen omtrent het EVRM kan niet worden onderschat. Kennis over dat verdrag was indertijd nog bijzonder summier in Nederland. Brieven die bij het NJCM binnenkwamen gaven blijk van dit probleem. Een exemplarische brief stelde: ‘Ik schreef u al dat ik niets weet van procederen bij de Raad van Europa. Die kennis blijkt in Nederland onder juristen/advokaten uitermate dun gezaaid. Uiteindelijk ben ik terecht gekomen bij een advokaat in Utrecht, de heer Baauw, die over mensenrechten heeft gepubliceerd, die ons verwees naar het NJCM.’10

Het Bulletin speelde gretig op deze lacune in. Enerzijds was het tijdschrift vaak zeer snel met het bespreken van uitspraken van het Hof, anderzijds was het actief in de kennisverspreiding door jurisprudentieoverzichten te publiceren van Nederlandse rechtspraak met betrekking tot internationale rechtsnormen inzake de rechten van de mens. Deze overzichten gaven juristen in ieder geval de mogelijkheid hier kennis van te nemen. Persoonlijke inbreng speelde hier een belangrijke rol: redacteuren als Mark Biesheuvel en Egbert Myjer hadden een scherp oog voor de Europese dimensie van mensenrechtenbescherming in Nederland. Eerder hadden zij in een interview aangegeven wat het streven van het NJCM was: ‘eigenlijk moeten we een generatie kweken waarvan de mensen meer in termen van mensenrechten denken’.11 Door de kennis over de Europese dimensie verder te verspreiden werd dit streven via het Bulletin langzaam verder vervuld.

Deze rol van het Bulletin werd, hoe triviaal het nu ook moge lijken, zeer gewaardeerd in het juridische veld. Wie wat wilde weten over het EVRM kon in ieder geval bij het Bulletin terecht. Op het lustrum van 1984 bleek het succes van het NJCM: niet alleen kon in het Vredespaleis een feestelijke dag worden georganiseerd, ook stroomden de gelukwensen binnen. Die van het de redactie van het NJB laat duidelijk de bewondering voor het werk van het NJCM zien:

‘Het is niet onze gewoonte om jubilerende verenigingen in onze kolommen te feliciteren. Hier maken we een uitzondering. Het NJCM en het onvolprezen NJCM-Bulletin, gedragen door een enthousiaste groep van in hoofdzaak Leidse staatsrechtjuristen, heeft zich gericht op een van de kernpunten van de juristenethiek, de eerbied voor de mensenrechten. Men heeft voortdurend erop gewezen hoeveel ook in ons land daaraan ontbreekt. Dat de Nederlandse rechters in toenemende mate rekening zijn gaan houden met in het bijzonder de Europese mensenrechtenconventie is mede het resultaat van de niet-aflatende actie van het NJCM. Dat is een gelukwens waard.’12

4. Consolidatie en institutionalisering

Ook na het Lustrum van 1984 zette het succes door. De grens van 1.000 leden werd in 1989 doorbroken, met 1.300 leden in 1991 als hoogtepunt. Het Bulletin had inmiddels een gevestigde positie ingenomen in de tijdschriftenwereld. Zeker na de introductie van een nieuw, strak logo in 1988 en de aanschaf van een laserprinter werd het meer en meer een echt ‘keurig’ tijdschrift. Toch stonden de jaren 84-94 meer in het licht van consolidering en bestendiging dan van doorbraak en groei: dat had de organisatie de vijftien jaar daarvoor al doorgemaakt. Enerzijds werd de organisatie zelf steeds academischer, anderzijds werd steeds meer gereflecteerd op de eigen rol en functioneren.

De katalysator voor deze beweging was een financiële tegenvaller. Na een verlaging van een subsidie en een onverwacht duur Bulletin werd de vereniging geconfronteerd met een tekort op de begroting van 24.000 gulden.13 De oplossing was simpel: bezuinigen en minder ondernemen. Zo werd de uitgave van de ICJ-Review (het blad van de ICJ dat het NJCM in Nederland verspreidde) stopgezet, maar ook sneuvelde het proefprocessenfonds, opgezet in 1984 om zelf te kunnen procederen. De juridische assistentie die het NJCM in de praktijk kon bieden raakte daarmee ernstig in de knel. Het gevolg van deze stap was dan ook dat in de jaren die volgden het NJCM niet meer zelfstandig zou optreden als procespartij.14 Onder andere door het wegvallen van het proefprocessenfonds zouden de activiteiten van het NJCM zich nog sterker dan voorheen richten op het schrijven van commentaren. Het past in een beeld van een zich steeds verder professionaliserende en institutionaliserende organisatie: met het vervallen van het proefprocessenfonds viel ook een stuk ‘actie’ weg. Steeds minder stond het NJCM met zijn ‘voeten in de klei’: niet dat de ‘actiekant’ van de organisatie helemaal verdween, maar het NJCM werd wel steeds academischer.

Deze nadruk op het uitbrengen van commentaren bracht een aantal vragen met zich mee over de eigen rol. Hoeveel impact had het NJCM nu eigenlijk hiermee, en was dit werk niet simpelweg een werkverlichting voor ambtenaren? Controle op het werk van de ministeries was echter noodzakelijk om ze scherp te houden, en na een onderzoek naar de invloed van het NJCM bleek dat commentaren wel degelijk gewaardeerd werden. Het onderzoek stelde ook: ‘Kamerleden zien de commentaren als zeer waardevol. Het zijn aanleidingen tot het stellen van vragen aan de minister en het aandragen van discussiepunten.’

Tegelijkertijd was niet altijd duidelijk wat het NJCM zelf nu precies was. Eén Kamerlid stelde: ‘men geeft veelal een mening over het NJCM, men zegt niet wat het is,’ terwijl een ander verzuchtte: ‘eigenlijk zou zo iemand in je agenda moeten staan.’15 De oplossing werd dan ook gezocht in het meer inzetten op een helder eigen geluid. Via het zelfstandig reageren op wetsvoorstellen kon het NJCM zich veel duidelijker profileren. Dat hielp niet alleen bij het behalen van succes, maar ook in het aantrekken van nieuwe idealistische juristen. Met deze beleidslijn hadden wetgevingsbeïnvloeding en lobby definitief een centrale positie ingenomen. Zo kon uiteindelijk in 1994 geconcludeerd worden dat de koers van het NJCM reactief was, en dat daar ook de kracht van de vereniging lag. Het reageren op wetsvoorstellen zou het zwaartepunt van de activiteiten blijven.16

5. Conclusie

In twintig jaar had het NJCM zich ontwikkeld van een kleine groep Leidse juristen tot een geïnstitutionaliseerde vereniging. Dit was het resultaat van verscheidene interne en externe factoren. Ten eerste was de opzet van het NJCM, dat via persberichten en commentaren een actievereniging en een deskundigenvereniging in zich verenigde, uniek en zeer succesvol. Het Bulletin speelde daarnaast een belangrijke rol in de vergroting van de bekendheid van de organisatie, en in de consolidering ervan in de juridisch-academische context: juristen die zich bezighielden met mensenrechten in Nederland konden feitelijk niet om het Bulletin heen. De belangrijkste externe factor was de steun van de overheid, die vitaal was voor het slagen van de organisatie. De staat nam het NJCM serieus, wat invloed en subsidies betekende.

Dit alles was, en is, echter niks zonder de consequente en vrijwillige inbreng van betrokken juristen. De woorden van Hans Thoolen in 1977, die toen een positie bij de ICJ had opgenomen en de Leidse vereniging een hart onder de riem stak, hebben wat dat betreft niks aan relevantie verloren:

‘…Iedere dag weer ben ik verbaasd dat er zoiets als het NJCM bestaat: de combinatie van vrijwilligersactiegroep gedragen door inzet en idealisme en professionele hulpverleningsinstantie gebouwd op representativiteit en status is “quite unique”… Het bewijs van de levensvatbaarheid op wat langere termijn zal door jullie geleverd moeten worden’.17

Eindnoten
1. Ingekomen Post 1975, 20 augustus 1974 ‘Korte inleiding notulen’.
2. Hellema, Nederland en de jaren zeventig, Amsterdam: Boom Uitgevers 2012, p. 69.
3. Ingekomen Post 25 september 1975 ‘Actualiteitencollege, hoe lang is de neus van de jurist?’.
4. Notulen Kerngroep 25 november 1977, ‘notulen vergadering’.
5. Notulen Kerngroep, 4 mei 1983, ‘financieel jaarverslag’.
6. C. Kennedy, De opkomst en ondergang van de achterban, oratie uitgesproken op 29 april 2011 aan de UvA, p. 15-16.
7. NJCM Knipselmap interview met Aalt Willem Heringa, ‘We werken met strikt juridische maatstaven’, MARE 27 januari 1983.
8. Notulen Kerngroep, 28 oktober 1977 ‘verslag vergadering’.
9. Redactioneel NJCM-Bulletin 1980, nr. 1.
10. Ingekomen Post, Brief aan NJCM, 26-2-1982.
11. NJCM Knipselmap, ‘We moeten een generatie kweken’ MARE 24 augustus 1978, p.10-11.
12. NJCM Knipselmap, ‘Een gelukwens’, NJB 1984, p. 973.
13. Notulen Kerngroep 5 maart 1987 ‘verslag vergadering’.
14. Dat gebeurde eerst sporadisch. Notulen Kerngroep, 14 november 1988, ‘Verslag overleg College van Advies en Dagelijks Bestuur NJCM’.
15. Verslag Rita van Keulen over effectiviteit NJCM.
16. Notulen Kerngroep, 4 juni 1994, ‘verslag eendaagse’.
17. Notulen Kerngroep, 13 december 1977, ‘Brief van Hans Thoolen naar NJCM’.

Lees hier de volledige scriptie van Wiebe Hommes. ‘Het NJCM 1974-1994: Een geschiedenis’

 

 

Share on LinkedInShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter