Dat schuldenproblematiek en armoede kunnen fungeren als katalysator voor kinderbeschermingsmaatregelen is lange tijd een blinde vlek geweest binnen de Nederlandse hulpverlening en rechtspraak. Pas sinds de publicatie van het rapport ‘Erfenis van Onrecht’ van de Commissie Hamer is het besef doorgedrongen hoe ingrijpend het overheidsoptreden is geweest en welke verstrekkende gevolgen de buitensporige terugvorderingspraktijken hebben gehad.
Inmiddels heeft het (demissionaire) kabinet in de brief van 30 juni jl. erkend dat kinderen extra leed hebben ervaren als gevolg van zowel de Toeslagenaffaire als daaropvolgende uithuisplaatsingen. Daarbij is een toekomstgerichte aanpak aangekondigd, die in samenwerking met jongeren zelf zal worden ontwikkeld.
Hoewel dit een positieve stap vooruit is, blijft het onvoldoende om het herstelproces volledig in overeenstemming te brengen met de rechten die kinderen toekomen op grond van het VN-Kinderrechtenverdrag. Dat verdrag vereist onder meer een holistische benadering en een integrale oplossing die erop gericht is kinderen en jongeren zoveel mogelijk terug te brengen naar de situatie van vóór de onrechtmatige terugvorderingen en de ingrijpende gevolgen daarvan.
Kinderen zijn geen aanhangsel van het dossier van hun ouders. Zij zijn zelfstandige rechtssubjecten met eigen rechten op grond van het Kinderrechtenverdrag. Daarom vraagt de werkgroep Jeugdrecht van het NJCM structurele aandacht voor hun zelfstandige positie in het herstelbeleid.
In onze brief aan staatssecretaris Palmen-Schlangen doen wij 6 concrete aanbevelingen. Lees onze brief en deel dit bericht, zodat kinderen en jongvolwassenen een serieuze plek en schaderoute krijgen in het herstelproces




