Rechtbank Den Haag beveelt opheffing van vreemdelingenbewaring van gezin met jonge kinderen

‘S-HERTOGENBOSCH. In een uitspraak van 3 augustus heeft de rechtbank Den Haag, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, bevolen de vreemdelingenbewaring van een gezin met vier kinderen in de leeftijd van 6 tot 13 jaar op te heffen. De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de vreemdelingenbewaring na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.

Het gezin, een man en vrouw van Kroatische nationaliteit en hun vier kinderen, was op 21 juli in vreemdelingenbewaring gesteld en verbleef in het Uitzetcentrum Zestienhoven in Rotterdam. De rechtbank stelde vast dat alleen de ouders (verder aangeduid als: de vreemdelingen) op grond van een daartoe strekkende maatregel in bewaring waren gesteld. De vier minderjarige kinderen zijn zonder maatregel feitelijk met hun ouders in bewaring gesteld.

De rechtbank stelde vast dat namens de vreemdelingen de rechtmatigheid van de staandehouding van de vreemdelingen niet was betwist. De rechtbank overwoog dat aan de beide maatregelen van bewaring twee gronden ten grondslag waren gelegd, te weten dat de vreemdelingen zich niet hebben gehouden aan hun vertrektermijn en dat zij niet beschikken over een geldig grensoverschrijdingsdocument. De rechtbank stelde vast dat deze gronden niet waren betwist en dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (verder te noemen: verweerder) de vreemdelingen op goede gronden met het oog op uitzetting in bewaring had gezet. De rechtbank oordeelde dat ‘de inbewaringstelling derhalve niet in strijd is met de wet’.

Vervolgens toetste de rechtbank of, gelet op artikel 94, vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000, de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd was. In dat kader was namens de vreemdelingen onder meer een beroep gegaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de Mens (EVRM), waarin bescherming van het recht op gezinsleven is vastgelegd.

De rechtbank stelde vast dat partijen het erover eens waren dat het verblijf van de kinderen in het Uitzetcentrum onwenselijk was en dat verweerder reeds activiteiten in gang had gezet om de kinderen van hun ouders te scheiden. De rechtbank stelde ook vast dat onduidelijk was hoe lang de vreemdelingen van hun ouders gescheiden zouden worden. Vervolgens overwoog de rechtbank: ‘Gelet op de jonge leeftijd van de kinderen (6 tot 13 jaar), het evidente belang dat het gezin heeft bij de uitoefening van het recht op gezinsleven en het feit dat verweerder plaatsing van het gehele gezin in een justitiële inrichting met een voor kinderen geschikt regime hangende een te starten onderzoek bij de Servische autoriteiten kennelijk niet mogelijk acht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gewicht aan dit belang heeft toegekend en ten onrechte het algemeen belang bij inbewaringstelling zwaarder heeft laten wegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voortzetting van de maatregel van bewaring na afweging van alle belangen in redelijkheid niet langer gerechtvaardigd is.’

De rechtbank beval vervolgens de opheffing van de maatregelen tot vrijheidsontneming, onder gegrondverklaring van de daartegen gerichte beroepen.

BRONNEN

 

Share on LinkedInShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter