Uitspraak van Rechtbank Den Haag in SGP-zaak: Staat handelt in strijd met Vrouwenverdrag

DEN HAAG. De Rechtbank Den Haag heeft vandaag uitspraak gedaan in een rechtzaak die was aangespannen door de Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichmann, het NJCM en anderen tegen de Staat.

De rechtbank oordeelde in deze zaak dat de Staat in strijd handelt met artikel 7 van het Vrouwenverdrag door de discriminatie van vrouwen binnen de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) te laten voortbestaan en financieel te ondersteunen. De rechtbank beval de Staat art. 2 van de Wet subsidiëring politieke partijen jegens de SGP buiten toepassing te laten zolang vrouwen niet op gelijke voet met mannen lid mogen worden van deze partij.

Eiseressen in deze rechtzaak hebben gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voor recht verklaart dat de Staat handelt in strijd met artikel 7 van het Vrouwenverdrag en enkele andere internationale en nationale bepalingen, en daarom onrechtmatig handelt jegens eiseressen en/of personen voor wiens belangen zij in rechte opkomen. Eiseressen stelden daartoe – kort samengevat – dat de Staat op grond van nationale en internationale rechtsregels verplicht is om situaties waarin een politieke partij vrouwen kan uitsluiten van een lidmaatschap, te voorkomen en zonodig te beëindigen. Dit betekent volgens de eiseressen dat de Staat gehouden is enerzijds maatregelen te nemen die ertoe leiden dat de onrechtmatige situatie wordt beëindigd en anderzijds maatregelen te nemen waardoor politieke partijen die vrouwen uitsluiten van volwaardig lidmaatschap niet langer van overheidswege worden gesteund. Door dit na te laten handelt de Staat volgens eiseressen in strijd met fundamentele gelijke behandelingsnormen en politieke participatierechten. De Staat handelt daarmee volgens eiseressen onrechtmatig jegens een ieder (met name vrouwen) in Nederland, wier belangen eiseressen in deze procedure behartigen.

De rechtbank stelt in haar uitspraak vast dat de Staatkundig Gereformeerde Partij (verder: SGP) vrouwen op basis van artikel 5, derde lid van haar statuten uitsluit van het passieve kiesrecht. Vrouwen kunnen geen gewoon lid worden, maar uitsluitend buitengewoon lid. In haar statuten heeft de SGP bepaald dat buitengewone leden in alle rechten delen die aan partijleden worden toegekend, met uitzondering van het bekleden van bestuursfuncties, het deelnemen van stemmingen binnen de partij, de afvaardiging naar de provinciale vereniging, de statenkring en de algemene vergaderingen, alsmede de kandidatuur voor algemeen vertegenwoordigende organen. De rechtbank concludeert dat het recht om gekozen te worden voor vrouwen dus de facto is uitgesloten.

In artikel 7 van het Vrouwenverdrag is bepaald dat de Staat alle passende maatregelen moet nemen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen en vrouwen te verzekeren dat zij op gelijke voet staan met mannen:

  • hun stem kunnen uitbrengen bij alle verkiezingen en volksstemmingen en verkiesbaar zijn in alle openbaar gekozen lichamen;
  • kunnen deelnemen aan de vaststelling van overheidsbeleid en aan de uitvoering hiervan alsook openbare ambten kunnen bekleden en alle openbare functies op alle overheidsniveaus kunnen vervullen;
  • kunnen deelnemen aan niet-overheidsorganisaties en verenigingen op het gebied van het openbare en politieke leven van het land.

De rechtbank bepaalt in haar uitspraak dat artikel 7 van het Vrouwenverdrag een ieder verbindende werking heeft. Met andere woorden: burgers kunnen deze verdragsbepaling in een procedure jegens de Staat inroepen.

Vervolgens behandelt de rechtbank de vraag of de Staat heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7 van het Vrouwenverdrag. De rechtbank overweegt in dit verband dat op de verdragsstaten de verplichting rust om te verzekeren dat, naast de eigen regelgeving van de Staat, ook de statuten van politieke partijen in overeenstemming gebracht worden met de beginselen van het Vrouwenverdrag. De rechtbank stelt vast dat de SGP het gewoon lidmaatschap alleen voor mannen openstelt en in haar statuten het verschil tussen mannen en vrouwen tot uitdrukking heeft gebracht. Voorts overweegt de rechtbank dat de Staat hier niet tegen optreedt, integendeel, zij steunt de SGP actief door haar te subsidiëren.

Volgens artikel 7, aanhef, van het Vrouwenverdrag dient de Verdragssluitende staat ‘alle passende maatregelen’ te nemen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land uit te bannen. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan de Staat heeft betoogd, met de huidige wet- en regelgeving thans niet voldoende uitdrukking wordt gegeven aan de verplichting van artikel 7 van het Vrouwenverdrag en de Staat daarmee vooralsnog geen passende (feitelijke en juridische) maatregelen heeft genomen.

Ten aanzien van de onrechtmatigheidsvraag komt de rechtbank tot het oordeel dat de Staat heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7, sub a en c, van het Vrouwenverdrag. De rechtbank overweegt: “De Staat heeft de (grond)wettelijke regeling van het passief kiesrecht zo ingericht en vooralsnog ingericht gelaten dat de laatste en formele fase van kandidaatstelling en verkiezing van doorslaggevende betekenis is voor wie het passief kiesrecht kunnen uitoefenen. Politieke partijen kunnen zodoende een vergaande invloed uitoefenen op de partijkandidering en daarmee op het passieve kiesrecht. De strekking van het passieve kiesrecht voor de individuele burger wordt zodoende in vergaande mate bepaald door interne procedureregeling met betrekking tot de kandidering van de politieke partij, hetgeen kan leiden tor een met de grondbeginselen van het Vrouwenverdrag strijdige situatie. Daarnaast heeft de Staat geen feitelijke of juridische maatregelen tegen de omschreven situatie binnen de SGP genomen. Integendeel, de SGP wordt door het verstrekken van subsidie gefaciliteerd. Voor het nalaten van passende maatregelen te nemen door de Staat kan geen rechtvaardiging worden gevonden in de noodzaak tot het waarborgen van een ander grondrecht en kan de Staat zich niet op het standpunt stellen dat hij reeds in voldoende mate uitvoering geeft c.q. heeft gegeven aan zijn verplichtingen op grond van het Vrouwenverdrag. De Staat handelt dan ook onrechtmatig jegens die personen die belang hebben bij naleving van artikel 7 van het Vrouwenverdrag. Dat zijn personen wiens belangen Clara Wichmann c.s. in deze procedure behartigen, alsmede Clara Wichmann c.s. zelf.”

De rechtbank beveelt de Staat (in de persoon van de minister van Binnenlandse Zaken) bij subsidiebeschikkingen ingevolge de Wet subsidieverlening politieke partijen (Wspp) te nemen vanaf de dag van betekenis van dit vonnis artikel 2 van de WSpp buiten toepassing te laten wegens strijd met het Vrouwenverdrag zolang vrouwen niet op gelijke voet met mannen lid kunnen worden van die partij.

BRONNEN

Share on LinkedInShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter