EHRM 25 juli 2017, M. t. Nederland: schending artikel 6 ERVM

Op 25 juli 2017 oordeelde het Europese Hof  dat er sprake was van schending van art. 6 lid 1 (recht op een eerlijk proces) juncto lid 3 sub c (recht op bijstand van een raadsman naar eigen keuze) van het EVRM, doordat de verdachte een beperking was opgelegd binnen de communicatie met zijn raadsman. Deze beperking had betrekking op het bespreken van staatsgeheime informatie, en ging gepaard met een dreigement van bijkomende strafrechtelijke vervolging.

KORTE SAMENVATTING
De zaak M. t. Nederland betreft een voormalige medewerker van de Nederlandse Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst die was beschuldigd van het prijsgeven van staatsgeheime informatie. M. diende een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij hij stelde dat het strafproces tegen hem oneerlijk was geweest.

In zijn arrest van 25 juli 2017 heeft het Europese Hof unaniem geoordeeld dat er een schending was van art. 6 lid 1 (recht op een eerlijk proces) juncto lid 3 sub c (recht op bijstand van een raadsman naar eigen keuze) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Hof stelde vast dat als gevolg van dreiging van vervolging indien M. staatsgeheime informatie aan zijn raadsman zou verstrekken, communicatie tussen M. en zijn raadsman inhoudelijk niet vrij was geweest, waardoor de eerlijkheid van het strafproces tegen hem onomkeerbaar was aangetast.

Het Hof oordeelde ook unaniem dat er geen schending was van art. 6 lid 1 juncto lid 3 sub b en d EVRM (recht te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van de verdediging, en recht getuigen op te roepen en ondervragen).

UITGEBREIDE SAMENVATTING
Feiten
Klager, M., is een voormalige medewerker van de Nederlandse Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Hij was door de AIVD aangesteld als audiobewerker en vertaler. In die hoedanigheid had hij toegang tot geclassificeerde informatie die hij volgens stringente instructies niet mocht prijsgeven. Deze geheimhoudingsplicht gold ook nadat hij de AIVD had verlaten.

In 2004 werd M. ervan beschuldigd staatsgeheimen te hebben prijsgegeven aan ongeautoriseerde personen, waaronder verdachten van terrorisme. Voorafgaand aan zijn strafproces werd aan M. door de AIVD meegedeeld dat, als hij zaken die onder zijn geheimhoudingsplicht vielen zou bespreken met wie dan ook, inclusief zijn raadsman, dit een nieuwe strafrechtelijke overtreding zou opleveren. Er werden ook beperkingen gesteld aan de toegang tot documenten door de raadsman, waarbij sommige documenten in een bewerkte vorm werden verschaft.

Tijdens het proces in eerste aanleg protesteerden de raadsmannen van M. tegen de impact van de beperkingen op de verdediging, in het bijzonder de communicatie tussen hen en M. De AIVD kende daarop aan M. een voorwaardelijke ontheffing van de geheimhoudingsplicht toe, die M. toestond om, uitsluitend aan zijn raadsmannen, informatie te geven die strikt noodzakelijk was voor zijn verdediging.

Gedurende het proces in hoger beroep klaagde M. vervolgens zonder succes over het feit dat hij niet de namen mocht geven van de AIVD-medewerkers die hij als getuigen voor het Gerechtshof wilde oproepen. AIVD-medewerkers die als getuigen verschenen hoefden geen vragen van de verdediging te beantwoorden die de vertrouwelijkheid van het inlichtingenwerk van de AIVD zouden kunnen schaden. Hun stemmen en hun verschijning werden verhuld om hun identiteit af te schermen.

Op 14 december 2005 werd M. door de Rechtbank Rotterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden. In hoger beroep, op 1 maart 2007, wijzigde het Gerechtshof Den Haag deze strafoplegging tot vier jaar. In cassatie legde de Hoge Raad op 7 juli 2009 aan M. een gevangenisstraf op van drie jaar en tien maanden.

Op 7 januari 2010 diende M. een klacht in bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Oordeel van het EHRM
Artikel 6 lid 1 juncto lid 3 sub b – het bewerken en het veronderstelde achterhouden van documenten
Het Hof overwoog dat het beschikbaar stellen van documenten in bewerkte vorm door de AIVD acceptabel was. De betreffende documenten bevatten details van staatsgeheimen. M. werd ervan beschuldigd deze te hebben prijsgegeven en de gevoelige aard van het materiaal kon worden aangetoond zelfs in bewerkte vorm. Het Hof overwoog dat de Nationaal Coördinator Terror ismebestrijding had bevestigd dat de documenten in het dossier kopieën waren van de geclassificeerde documenten, hetgeen M. niet heeft betwist. De overgebleven leesbare informatie was voldoende voor de verdediging om de zaak op adequate wijze voor te bereiden. Ten aanzien van het interne AIVD-onderzoeksdossier waarvan M. stelde dat het werd achtergehouden voor de verdediging, overwoog het Hof ervan overtuigd te zijn dat dit niet in handen van het Openbaar Ministerie was geweest en dat het Gerechtshof niet kon vaststellen dat dit had bestaan. Enig voordeel dat M. hieruit had willen halen was slechts hypothetisch. Gelet op het voorgaande oordeelde het Europese Hof dat de bewerking en het veronderstelde achterhouden van documenten geen schending opleverde van art 6 lid 1 en lid 3 sub b EVRM.

Artikel 6 lid 1 juncto lid 3 sub c – beperking van het recht om informatie en instructies aan de raadsman te geven
Het Hof overwoog te accepteren dat er in beginsel geen reden was waarom geheimhoudingsregels niet van toepassing zouden zijn wanneer een voormalige medewerker van een veiligheidsdienst wordt vervolgd voor het prijsgeven van staatsgeheimen. Het was echter voor het Hof de vraag welk effect een verbod om geheime informatie naar buiten te brengen had op het verdedigingsrecht van M. Het Hof overwoog dat, zonder professioneel advies, van een persoon die wordt beschuldigd van ernstige strafrechtelijke overtredingen niet kan worden verwacht de voordelen van het volledig inzage geven van zijn dossier aan zijn raadsman af te wegen tegen het hierdoor veroorzaakte risico van verdere strafrechtelijke vervolging. Het Hof oordeelde dat sprake was van een schending van artikel 6 lid 1 en lid 3 sub c EVRM, omdat de eerlijkheid van het strafproces onomkeerbaar was aangetast door de inmenging in de communicatie tussen M. en zijn raadsman.

Artikel 6 lid 1 juncto lid 3 sub d – de weigering om bepaalde AIVD-medewerkers als getuigen op te roepen en de voorwaarden die bij anderen werden gesteld
Het Hof overwoog dat het in strafzaken een legitieme verdedigingsstrategie is om twijfel te zaaien over het daderschap van een misdrijf door aan te tonen dat het misdrijf door iemand anders zou kunnen zijn gepleegd. Het Hof voegde hieraan toe dat dit een verdachte niet het recht geeft ongegronde informatieverzoeken in te dienen in de hoop dat misschien een alternatieve verklaring naar voren zou komen. Het – 53 items bevatte – bewijs waarop het Gerechtshof de veroordeling baseerde, omvatte verscheidene items die M. direct in verbinding brachten met de uitgelekte documenten en met ongeautoriseerde personen die werden gevonden in bezit van deze documenten. Onder deze omstandigheden kon het Europese Hof niet oordelen dat het Gerechtshof onredelijk of willekeurig zou hebben gehandeld ten aanzien van het recht van M. om getuigen op te roepen en te ondervragen. Het Hof concludeerde dat er geen schending was van artikel 6 lid 1 en lid 3 sub d EVRM.

Bronnen
Uitspraak EHRM 25 juli 2017 M. t. Nederland nr. 2156/10

Persbericht EHRM 25 juli 2017

 

 

Share on LinkedInShare on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter